disclaimer

 

Sport

Sport voor mij is voor 90% wielrennen. En wielrennen is een passie van me. Ik volg de koersen op tv, in de krant en in de bladen. Daarbij geniet ik van prachtige momenten in de wedstrijd en erger ik me aan dom en knullig commentaar. En als ik me niet opwind over het wielercircuit stap ik zelf op de fiets om de strijd aan te gaan met andere net-niet-renners met doodsverachting, en met mezelf. Deze pagina is het overloopventiel waarmee ik voorkom dat mijn euforie en ergernis het kookpunt bereiken. Een enkele keer kan ik het niet helpen en vind ik het nodig mijn mening te geven over andere takken van sport.

Geile Opa

25 februari 2006 'Larger than life', noemde Matthijs van Nieuwkerk hem in zijn onvolpezen avondprogramma De wereld draait door. Gelukkig kon ik enige ironie in zijn stem ontdekken. Mart Smeets is de talkshow-gastheer die eigenlijk geen gasten nodig heeft voor het vullen van een programma.
De Paus had de afgelopen twee weken concurrentie. Het concurrerende heiligdom heette Café Torino. Als een reusachtige Middeleeuwse kardinaal nam een vaak in het paars gehulde Smeets zitting aan het hoofd van zijn tafel. Sporters van wereldklasse, grote artiesten en hooggeplaatste olympiërs mochten op audiëntie komen, mits zij de feodale gedragsregels in acht namen.
'Het komt je toe joh', sprak hij de magistrale Bob de Jong toe na diens gouden tien kilometer. Het had zijne heiligheid Smeets behaagd dat De Jong een goede prestatie had geleverd. Ook Wilfried de Jong, maker van het televisiejuweel Holland Sport, kreeg een spreekwoordelijke kneep in de magere wang. 'Je maakt een leuk programma, dat ik wil ik je even meegeven', De Jong knikte en zweeg. Zijn ogen spraken, ze zeiden: 'en jij niet, pedante zak.'
Even werd het verwarrend. Er schoof een Vlaams heerschap aan dat de gore lef had zich te laten aanspreken als 'de baas van de spelen'; een greep naar de macht? Smeets slikte even en tolereerde Jacques Rogge toch aan zijn tafel. Iedereen wist toch, Rogge incluis, dat de echte spil van de spelen de Kardinaal van Café Torino was? Hij keek, wees met zijn ballpoint en zag dat het goed was. 'Toe maar Bob, huilen mag hoor. Ach Ireen, drukke, onervaren dondersteen, wel goed je best doen hoor.'
Om zijn ego te bevredigen heeft Smeets ambiance nodig die hem groot maakt. Het café, het glas wijn en een plek waar topsporters, artiesten en wereldgrootheden veranderen in rekwisieten waar de aandacht vanaf ketst, regelrecht in de richting van het grote, gebrilde hoofd boven de paarse stropdas.
Maar hijs de eminentie in een mottige, Noorse trui en zet hem naast de sympathieke Ria Visser -die na het op monotone manier verslaan van races, haar draai vond als anchorwoman tussen de wedstrijden door- en je ziet de grote Smeets met een harde klap neerdalen op aarde. Smeets weet weinig van schaatsen. Het interesseert hem niet echt, hij vindt het kneuterig gedoe. Maar het is voor hem de enige link om the kunnen stralen op de -wel professionele- Olympische Spelen, dus even op de tanden op elkaar. Analyses van races zijn het enige gladde ijs waar Smeets zich ooit op heeft begeven. Ria Visser is de stoel van waarachter hij zich krabbelend voortbeweegt.
Veel liever analyseert hij het fraaie lijf van Annie Friesinger dat zich rekkend en strekkend voorbereid op de race. Ver van de glans van Café Torino voeren Smeets en Visser een vermakelijk toneelstukje op. Visser in de rol van de bezorgde en enigszins geërgerde dochter. En Smeets in de rol die hem het beste past: als de recalcitrante, vergeetachtige en vooral geile opa.


Comeback

8 september 2005 Een verrassing, noemde de Belg het bericht dat als tussendoortje tijdens het Vuelta-verslag werd gebracht. 'Lance Armstrong heeft genoeg van de Franse hetze. Hij zal iedereen die tegen hem is definitief een lesje leren op de voor hem bekende manier: met zijn benen. Misschien doet hij dus mee aan de Tour van 2006. Dat had niemand toch gedacht?' Toch wel. Niet lang na de Tour van dit jaar kreeg, ook op de Belg, een aantal renners een microfoon onder de neus geduwd. Wat vonden ze nou van het stoppen van Lance Armstrong? Twee renners, en al sla je me dood, ik weet niet meer wie het waren, verzekerden de interviewer dat we nog niet van Armstrong af waren. Hij was nog té erg geïnfecteerd met het wielervirus. 'Ik denk dat Lance volgend jaar gewoon van start gaat.' -was dat Boogerd? Volgens mij wel-
Niet voor iedereen een verrassing dus, dat Armstrong zijn comeback aankondigt, wel opmerkelijk. Dat de comeback wordt gebracht als reactie op zijn vermeende epo-gebruik in 1999, is nóg opmerkelijker. Maar eigenlijk ook weer niet zo verrassend. Want Armstrong is een Amerikaan. Iemand uit het land waar het gebruikelijk is je vuisten te laten spreken als je vindt dat je onrecht is aangedaan. Eerst knokken, dan denken! Dat is het motto van het meest vooruitstrevende land op aarde, waar artiesten om geld moeten bedelen als een economisch onbelangrijk landsdeel met bevolking en al onder water verdwijnt.
Eerst knokken, dan denken. Dat moet toch ook het motto zijn van de comeback-campagne van Armstrong? Want wat wil hij nou bewijzen met een Tour-zege in 2006? Dat hij niet heeft gepakt in 1999? Dat gaat mijn pet te boven. Ik ben benieuwd wat de bevroren buisjes bloed in 2012 gaan opleveren.

 

Dope sucks

25 augustus 2005 Ik had me nog zo voorgenomen geen stukjes te schrijven over doping en wielrennen. En dan komt de kwestie Armstrong om de hoek kijken. Wat moet je daar nou mee? Ok, even voor mezelf de feiten op een rijtje. Lance Armstrong krijgt kanker, geneest, gaat weer fietsen, wint zeven keer de Tour en gaat de geschiedenis in als de meest op doping gecontroleerde renner aller tijden. En, nooit iets gevonden.

Dan worden er ingevroren bloedmonsters bekeken en blijken dertien van de monsters uit de aders van Epo-gebruikers te komen. Wie voerden die tests uit? De Fransen, zodat je op je vingers kunt natellen dat Lance Armstrong er bij zat. En ja hoor, bijna de helft van de steekproefsgewijs (tuurlijk) geselecteerde buisjes die besmet bloed bevatten, zijn gevuld met het bloed van Lance. Hij is nu dus officieel dopinggebruiker. Al wil hij daar zelf nog niet aan.
Toen begin jaren negentig de renners van de Gewiss-Ballan ploeg iedere koers wonnen waar ze aan de start verschenen, zat de rest van de wielerwereld met de handen in het haar. Het voorjaar van 1994 staat mij nog vers in het geheugen, onuitwisbaar. Berzin, Furlan, de -toen al oude- Argentin en de rest van club, verdeelden de buit. Furlan, jij de Tirreno en Milaan-San Remo? Dan ik Luik Bastenaken Luik en dan mag oude Argentin nog een keertje de Waalse Pijl pakken. Pas later werd duidelijk dat die overmacht niets met het weesgegroetje voor de start te maken had. En op het moment dat het wonder van EPO zich openbaarde aan de ongelovige meute, was de ongelijke strijd voorbij. De gelijke verhoudingen in het peloton waren hersteld. Berzin bleef een klasserenner, maar zijn afdaling naar de vergetelheid was ingezet. En Argentin besloot dat het tijd was te stoppen met fietsen. Vanaf dat moment waarde EPO als een ongrijpbare geest door het peloton. De Waalse klassiekers werden met veertig per uur afgeraffeld. De Galibier bedwongen op het buitenblad. En iedereen vond het prachtig.

Armstrong leek een frisse wind te worden. Hier was een renner die lak had aan de ongeschreven regels van het peloton. Vanaf zijn eerste dag tussen de profs werd hem duidelijk gemaakt dat niemand daarvan gediend was. Maar Lance vocht door. En had hij zijn dag, dan won hij en dan gelijk een echte koers.
Het antwoord op de vraag of Armstrong al dan niet doping heeft gebruikt, heeft voor mij nooit verschil gemaakt. Zoals ik er naar kijk moet je als beroepsrenner wel, wil je een beetje meekomen. Het stoort me eigenlijk helemaal niet.

Waar ik me wel over kan opwinden zijn de leugens, het bedrog en de gemakkelijke manier waarop renners en ploegleiders hun eigen waarheden verzinnen. Je kunt als renner ongestraft bijna openlijk doping kopen. Voor de formaliteit gebruik je een paar kinderlijke codes. Het maakt allemaal niet uit, zolang je in een controle maar niet positief bent. Je bekent niet, ontkent niet, haalt je schouders op en verwijst naar de alwetende dopingarts die niets kon vinden. Tot je wel positief bent natuurlijk, dan is diezelfde arts een incompetente carrièrekraker.
Of Lance nu wel of niet heeft gepakt, doet voor mij dus niets af aan zijn status als kampioen. Maar zijn reactie op de laatste aantijgingen van de Franse pers verpeste het wel degelijk voor mij. Geconfronteerd met zijn EPO-gebruik in 1999 wist hij alleen te vertellen dat hij niets illegaals had gedaan -EPO stond nog niet op de zwarte lijst-. Het enfant terrible dat zich ontwikkelde tot de man die boven de wielerwetten stond, bleek toen even een doodgewoon rennertje. Jammer.


Springen

13 augustus 2005 Bij de meeste sporten wordt de beste prestatie beloond met een eerste plek. Al kun je daar bij jurysporten nog wel eens over twijfelen. Het bokstoernooi van de Olympische spelen in Seoul staat me nog vers in het geheugen. Daar werden winnaars gekozen die zo suf waren geslagen dat ze de energie niet meer hadden voor het zegegebaar. En dat terwijl de verliezer er volledig onaangeslagen en fris bij stond. Maar goed, met een betrouwbare jury wint ook bij een jurysport de beste.
Hoe anders zit dat bij de buitenbeentjes in de atletiek, hoog- en polstok hoogspringen. Een frustrerende bezigheid, lijkt me. Je hebt de dag en de benen van je leven, de aanloop klopt en de afsprong is perfect. Het resultaat is dat je hoger springt dan je ooit hebt gedaan. Alleen, de lat waar je overheen moet ligt ver onder je normale kunnen. En dus al helemaal ver beneden je niveau van het moment. Resultaat: wereldsprong met onbeduidende uitslag.
Waardeloze sporten vind ik dat. Het stokje dat tussen de leggers is gedrapeerd bepaalt van te voren de prestatie. Een verrassend wereldrecord? Bestaat niet in de hoogspringerij. Je ziet atleten die met een enorm overschot over een veel te laag gelegde lat zweven. En aan de andere kant heb je de springers die een centimeter of tien lager springen dan de stok. Maar doordat de zwaartekracht hen goed gezind is, stuitert de stok terug op de leggers. Prachtige prestatie geleverd, zij het onverdiend. Kunnen ze dan echt niets anders verzinnen dan dat stokje? Iets elektronisch misschien, waarmee deze sporten de technologie ontstijgen van fierljeppende kievitseierenzoekers?
Ik vond dat dus waardeloze sporten. Geen verrassingen en volop frustratie. En toen kwam Rens. En nou vind alleen het gewone hoogspringen nog waardeloos.

Nieuw Talent

8 augustus 2005 'Welkom bij het tweede uur van ons wekelijkse avondje sport op radio 1. Het nieuwe seizoen is weer van start gegaan en de eredivisieploegen hebben hun gelederen versterkt met een flink legioen jonge talenten. Op alle manieren zijn ze voorbereid op hun eredivisiedebuut. Zoals te doen gebruikelijk hebben ze ook een mediatraining achter de rug. En omdat we het zonde zouden vinden dat die jongens zo'n training niet kunnen gebruiken, halen we dit seizoen in de rubriek 'Nieuw Talent' de debuterende jongelingen voor de microfoon. Dan mogen ze zichzelf eens voorstellen aan de luisteraars. Andy, wie gaat het spits afbijten?'
'Spits ja, leuke woordspeling Tom. Ik heb de ster van de avond naast me staan. De jeugdige aanvaller Densjil Huisman.
Mooie wedstrijd Densjil, maar daar wil ik het nu even niet over hebben. Stel je eens voor aan de luisteraars, want die kennen je nog niet.'
'Tja, ik ben Densjil Huisman, 16 jaar, spits bij PSV.'
'Ja, dat weten we wel, maar wie ís Densjil Huisman nou eigenlijk? Waar komt die exotische naam eigenlijk vandaan?'
'Mijn moeder is een fan van die Engelse acteur, Densjil Wasjingtun.'
'Denzel Washington?'
'Ja Densjil, en daarom heeft ze mij ook maar Densjil genoemd.'
'Wat doet Densjil als hij geen punten scoort voor PSV, heb je hobby's?'
'Ja, X-boxen natuurlijk en tsjillen met mijn empeedrie.'
'Lees je boeken en wat is je favoriete boek.'
'Ik lees eigenlijk niets. Nou, de Panorama en de Autoweek. Ja en Humfry heeft me een boek geleend over de ontvoering van die man van Albert Heijn. Maar dat is literatuur zei hij. Ik ben er dus maar niet aan begonnen.'
'Ik hoorde Tom zeggen dat jullie een mediatraining hebben gekregen. Is dat nou wel nodig? Ben je niet bang dat je daarmee je spontaniteit kwijtraakt?'
'Dat zijn jouw woorden.'
'Toch nog even voetbal, Densjil. Ik heb me laten influisteren dat het buitenland interesse in je heeft, Chelsea als ik het goed heb?'
'Nou, daar mag ik niets over zeggen van mijn zaakwaarnemer.'
'Kom nou Densjil, dat zou toch geweldig zijn, een carrière in de bakermat van de sport, in Engeland?'
'Ze zouden er in ieder geval geen moeite met mijn naam hebben.'
'Tom, over naar jou.'

Frankie

3 augustus 2005: Daar was die. Hij werd in de promo als laatste aangekondigd in de line-up van de Eneco-Tour met een ÉN. Zo eentje die gereserveerd is voor ex-Tourwinnaars en wereldkampioenen. Maar dit keer was het: 'ÉN, Frank Vandenbroucke'. Dat deed me goed want ik ben een fan van Frank. Mijn vriendin niet, zij heeft het niet zo met mensen die hun huisdieren Amfetaminen en morfine geven. Voor mij geeft dat zo'n renner juist kleur. Frankie is een stoute jongen. Ik ken het soort wel van vroeger: wij met zijn allen belletje trekken, niets aan de hand. Frankie probeert het een keertje en krijgt een oorvijg. Naast hardfietsen kan Frank ook heel aardig tegen de lamp lopen.
In mijn gesprekken met wielervrienden hebben we het altijd over Veedeebee, als het over Frank gaat. En als ik op ieder willekeurig moment een beeld van Veedeebee aan mijn brein probeer te onttrekken, zie ik hem in 1999 spelen met Bartoli op de Redoute. Die uitgave van Luik Bastenaken Luik, waarbij hij van tevoren een kruisje op de routekaart had gezet: 'daar win ik de koers'. Winnen is leuk, maar op deze manier winnen maakt je tot legende. De overmacht die Veedeebee in Luik toonde, was nog twee keer te zien in de Ronde van Spanje. Daarna leek het met hem afgelopen. Maar nog steeds als ik hem op tv in koers zie, probeer ik in zijn fietsen de voorbereiding van een briljante aanval te ontdekken. Als de radio vervolgens aan de commentatoren doorgeeft dat Frankie is afgestapt vanwege een kriebelend neushaartje, ben ik maar een klein beetje teleurgesteld. Ik weet ook wel dat de VeeDeeBee van 1999 in dat jaar is gebleven en waarschijnlijk nooit meer terugkomt. De proloog van de Eneco Tour is net gedaan en Frank rijdt aardig. Hij heeft een slechte conditie, maar, zoals de Belgische commentators zeggen: 'een bak klasse'.
Nu wil ik Frank een voorstel doen. Frank, laat die kleine koersjes gewoon aan je voorbij gaan. Doe er wat conditie op en kom druk dan nog één keertje een afgetrainde vinger op de routekaart van een klassieker. Daar moet het dan nog één keer gebeuren. En daarna? Stap daarna naar de VRT, kruip knus tegen 'grumpy old' Michel Wuyts aan en geef commentaar. Dat heb ik je één keer horen doen, in een blessureperiode bij Mr. Bookmaker. En ik heb genoten van je koersinzicht. Het is je derde talent, naast tegen de lamp lopen en ontzettend hard fietsen.

 

Chateau Lance 1999-2005

25 juli 2005: Het ligt wel erg voor de hand dat een wielerliefhebber die schrijft, op deze datum iets over Lance en zijn Tour op de computer zet. En omdat ik mezelf niet graag verras, doe ik dat dan ook. Ik ben nooit een fan van Lance geweest. Dat kun je volgens mij ook niet zijn, net zomin je fan kunt zijn van een kil en berekend iets als Windows XP of Linux. Ronderenner Lance was een besturingsprogramma dat deed waarvoor hij zichzelf had geprogrammeerd. Gaandeweg zijn kleine foutjes, zijn 'bugs', uit het systeem geslepen. Was de Tour van 1999 nog Windows 98, de Tour van dit jaar was XP-Pro met servicepack.
Een saaie Tour dus? Dat vond ik nou weer niet. Maar de legendarische momenten vonden elders plaats dan aan de top. Zo was de winst van Vinokourov gisteren, er eentje van mythische proporties. Het criterium in Parijs is berucht om de enorme snelheden die er in de finale worden bereikt. En dan heb je een gekke Kazak en een Australiër, die het peloton een loer draaien en er gewoon voorblijven tot over de streep. Dat is wielergeschiedenis, te vergelijken met de Luik Bastenaken Luik-race van Hinault in 1980 en de Parijs Tours van Dekker.
Vooral het voorafgaande maakt de overwinning van Vino zo bijzonder. Hij kon in het klassement Leipheimer voorbij en deed dus mee aan een tussensprint. Tevergeefs, zo bleek later toen de jury besloot geen bonificatieseconden toe te kennen. En wat deed Vino? Hij pakte die seconden gewoon aan de meet.
Die overwinning en die van Rasmussen in de Vogezen, dat zijn de hoogtepunten van de Tour van 2005. En Lance? Een instituut als Lance Armstrong moet nog even wachten, zelfs nu hij is gestopt. Toen Indurain nog won, was ik geen fan van hem. Dat werd ik toen Bjarne Riis het onsmakelijke idee kreeg Indurain in 1996 in Pamplona op het podium te halen. Goh, wat was Miguel groter dan Bjarne op dat moment. Als ik nu aan Indurain denk, zie ik een beeld van de training voor de tijdrit van Futuroscope. Vanuit de auto van Echavarri volgen we Indurain met beenstukken op zijn tijdritfiets. De snelheidsmeter van de auto staat gefixeerd op zeventig. Of ik zie zijn ontsnapping in de Ardennen, of zijn heldenwerk tijdens het WK in Duïtama, waar Olano won.
Lance heeft zulke dingen gedaan. Maar een kampioen van zijn grootte is als een dure wijn. Die moeten we even wegleggen, tot er een paar Tours overheen zijn gegaan. Pas dan is Lance op dronk en herinner ik me de heldendaden en niet het Lance-systeem.

Kivilev

22 juli 2005: De Tour is niet alleen het spektakel van helden op de fiets. De Tour is net zo goed het excuus voor zelfingenomen, te dikke sportjournalisten, om glazen wijn wegklokkend anekdotes op te halen over die helden op de fiets. Die 'ze' allemaal gekend hebben en nog goed kennen natuurlijk; 'Schenk nog es in Sssjop, oude vrind van me.'
En naast oude helden, zijn er ook oude bergen in de Tour. Rotspunten in het Franse landschap die hun faam verdienden door hun flanken te lenen als podium voor drama's met pijn, strijd en de dood.
Dood en bergen gaan samen in de Tour, daar is Tommy Simpson het niet meer levende bewijs van. Tommy was een renner met een respectabel palmares. Maar het enige dat we -met de dikke sportjournalist voorop- nog over de Gele trui-drager, Klassiekerwinnaar, Wereldkampioen te melden hebben , is zijn tragische dood op de Ventoux.
Afgelopen weekeinde mochten we weer even stilstaan bij een andere dode. Het peloton deed de Portet D'Aspet aan. Iedere wielerliefhebber weet wat dat betekent: nationale Fabio Casartelli-dag. De dood van Fabio op de 18e juli 1995, staat bij iedere wielerliefhebber als een 'moord-op-Kennedy-erlebnis' in het geheugen gegrift. Ik luisterde naar de autoradio in de parkeergarage van V&D in Den Haag, toen het gebeurde.
Wrang als het mag klinken: Casartelli's dood was de beste carrièrezet die hij ooit had kunnen maken. Hij was een aardige gast, een behoorlijke helper bij de Motorolas, maar tot 1995 niet meer dan dat. Ok, Olympisch kampioen in 1992. Maar dat was een amateurwedstrijd. En iedere renner weet dat het amateurpalmares niet meer telt als je beroeps wordt. Maar zelfs nu nog kan een strategisch geplaatste opmerking over Casartelli, teneergeslagen blikken, tranen en zelfs -in Italië- hysterie opwerkken. We zullen Fabio nooit vergeten, daar zorgt de enorme gedenksteen op de Portet D'Aspet wel voor. En net als bij Tom Simpson, doet zijn palmares er niet toe. Voor Fabio Casartelli komt dat goed uit.
Maar dan 12 maart 2003: een dag eerder ging Andrei Kivilev onderuit tijdens de tweede etappe van Parijs Nice. In het ziekenhuis van Saint-Étienne overleed hij. Zijn maat en mede-Kazak Vinokourov won Parijs Nice en gaf de dood van Kivilev een Hollywood-achtige glans, toch? Misschien wel, maar wie kijkt er nou wielrennen in maart? Kivilev is dus vergeten bij het grote publiek. Zijn dood is geen aanleiding voor fraaie stiltes achter een nog fraaier glas wijn, op een Zuid-Frans terras. Geen overdenkingen voor Kivilev en geen gedenkdiensten met honderden camera's en grienende vreemdelingen.
Om van de Spanjaarden en Colombianen die tijdens trainingsritten het tijdige met het eeuwige verwisselden, maar te zwijgen. Dat doen we dan ook.